Me alias Florence Nightingale

De klap is enorm! Ik schat een 7,5 op de schaal van Richter. Terwijl ik snel de schade opneem – geen bloed en botjes – verbaas ik me erover dat hij nog uit één stuk bestaat. Dat er nog beweging in zit. En terwijl hij moeizaam overeind krabbelt, voorspel ik hem – als een ware Jomanda – spierpijn. Dat kan niet anders als je van een trap probeert te vliegen en vervolgens keihard op je rug landt. Zes treden lager.

Meteen na de klap, snelden er mensen toe. Als ware ramptoeristen stonden ze om hem heen. Sommigen om te helpen, de meesten puur voor de sensatie. Toen ik ze vriendelijk bedankte voor de aangeboden hulp – want dat is echt wel aardig – liep er een dame boos weg. Ze voelde zich persoonlijk afgewezen. Het moet niet gekker worden! Ik zou juist blij zijn als mijn hulp niet nodig zou zijn. Héél blij. Want ik ben niet zo’n held. Ook niet in crisissituaties. Ik kan wel goed bluffen, dat scheelt en daardoor lijkt het heel wat. Ik zet meteen mijn zelfverzekerde gezicht op, terwijl ik vanbinnen paniekerig bedenk wat ik ook alweer moet doen in zo’n situatie. Ik spreek luid en duidelijk en deel instructies uit. Ik ben erg van het delegeren.

Nou heb ik laatst in een Florence-Nightingale-mood de Help!-app geïnstalleerd op mijn telefoon. Met zo’n Help!-app kan je opgeroepen worden in noodsituaties, wanneer jij één van de tien mensen bent die het dichtst in de buurt is. De bedoeling daarvan is dat er sneller adequate hulp ter plekke is. Dat kan levens redden. Mooi initiatief, vond ik. Dus in een overmoedige bui heb ik me geregistreerd. Geheel vrijwillig. Ik vond het eigenlijk ook wel een beetje mijn plicht, als verpleegkundige en BHV-er.

Ik heb me dus opgegeven voor verslikking, vergiftiging, een hartinfarct of brand. Je had nog veel meer keuzes, maar dit vond ik wel genoeg. Een mens moet zijn beperkingen kennen. Verdrinking wil ik niet, want ik durf de drenkeling toch niet achterna te springen. Ik zou zelf verzuipen. En bij geweld wil ik ook niet ingezet worden. Met al die drugs van tegenwoordig, kan je niet meer voorspellen hoe iemand reageert. Mij niet gezien. En een ongeluk is me te gecompliceerd. Want je weet vooraf nooit hoe ernstig het is. Kijk, een klein botsinkje met een pijnlijke arm na afloop, dat red ik nog wel. Maar wanneer mensen halfdood in hun auto zitten, moeten ze mij niet hebben. Ik zou het waarschijnlijk alleen maar erger maken.

Want ik kan niet goed tegen open wonden en bloed. Daar word ik onwel van. En ik identificeer me teveel met het slachtoffer. Ik ben als de dood voor hechten. En als je veel open wonden hebt, dan kan je er dónder op zeggen dat er ergens gehecht gaat worden… En daar moet ik niet aan denken. Dus ik zou in zo’n geval alleen maar roepen dat ik zó verschrikkelijk blij ben dat ik niet in de schoenen van het slachtoffer sta. En dat is niet bepaald helpend. Ik weet het.

Eigenlijk zou ik me het liefst weer afmelden voor die Help!-app, uit pure lafheid. Want eerlijk is eerlijk: ik kan als psychiatrisch verpleegkundige vooral goed práten over al die ellende, praktisch ingrijpen is een heel ander verhaal. Dus bid ik iedere dag vurig, dat die Help!-app nooit zal afgaan. Ik zou het niet overleven.

Bungelen aan een brug

Ik heb er ook gewoon het figuur niet voor… En eerlijk gezegd ontbreekt het me ook aan lef. Ik ben niet zo’n thrillseeker. Dus mij zul geen buitenactiviteiten zien doen die mijn adrenaline nog eens extra de hoogte in stuwen. Tenminste, niet vrijwillig. Ik zou dus ook nooit gaan bungeejumpen. Ik ga liever gewoon dood.

Maar stél dat er een moment in mijn leven komt, waarin ik tóch niet helemaal toerekeningsvatbaar zou zijn – tijdens de overgang ofzo – en ik zou het overwegen om te gaan bungelen aan een brug, dan zou ik in ieder geval niet gaan bungeejumpen boven een rivier die vergeven is van de krokodillen! Ik ben wel slimmer dan dat. Ik zou gaan voor een rustig kabbelend beekje, waar het water kniehoog staat, ergens in Limburg ofzo.

Want ik gun die krokodillen hun lolletje niet. Natúúrlijk zouden ze reikhalzend naar me uitkijken. Want zo’n brok Hollands Gloren krijgen ze niet iedere dag voorgeschoteld. Ik hoor in gedachten al het klapperen van hun kaken. En terwijl ik dan zou springen – hoofd eerst, voeten vastgebonden aan zo’n elastiek – maar bidden dat die jongens die dat bungeejumpen organiseren, geen rekenfout gemaakt hebben qua lengte koord versus mijn gewicht. Dat zou immers catastrofale gevolgen hebben voor mijn persoontje.

Want ik wil ik niet zóver doorzakken dat ik bij zo’n hongerige krokodil kan zien wat hij gisteren gegeten heeft. En mijn allergrootste schrik zou natuurlijk zijn dat het elastiek knapt zodra ik er met mijn volle gewicht aanhang. Want ik ben ook nog eens een slechte zwemmer. Ik drijf wel, maar dan vooral met de stroom mee, ver weg van de plek des onheil en van mijn eventuele redders. En zo’n bungeetouw zou onderweg maar eens vast komen te zitten onder de rotsen… Ik zou niet eens genoeg adem hebben om lang onder water te duiken en mezelf te bevrijden! Het is natuurlijk sowieso al een gevecht tegen de zwaartekracht om mezelf onder water te krijgen. En als ik dan eindelijk met al mijn kracht en doorzettingsvermogen dat touw los heb gewurmd, ben ik er nóg niet. Ik moet mezelf namelijk nog op de kant zien te hijsen. En dat valt om de drommel niet mee. Ik ben dan ook altijd gewend een trapje te nemen in het zwembad. Maar dat hangt er natuurlijk niet. Dat wordt dus een ongracieus geklauter voor mij, totdat ik dan eindelijk op het droge lig. Als een gestrande walvis, die wacht op Greenpeace.

Ach, ik ben gewoon niet van het huggen met haaien, het knuffelen met krokodillen of het tongen met tarantula’s. En waarom zou ik ook? Ik heb mijn leven lief. Geef mij maar gewoon een comfortabele bank, voetenbankje en een tv. Natuurlijk wel een breedbeeld, zodat ik al die halsbrekende toeren van die thrillseekende idioten van dichtbij kan volgen. Dan voel ik hoe mijn hartslag omhoog gaat, mijn handen klam worden en mijn oksels klotsen van angstzweet. Maar ik zit veilig thuis voor de buis, eerste rang. Een spannend leven te leiden.

” “bungeekoord knapt, studente valt in rivier vol krokodillen”

Komt een vrouw bij de radioloog

En terwijl ik naar het plafond lig te kijken, bedenk ik me dat dit nou zo’n moment is… Zo’n moment waar ik mensen over heb horen vertellen. Zo’n moment waarop je even je adem inhoudt en dan voorzichtig de lucht weer laat ontsnappen, terwijl je gedachten over elkaar heen tuimelen en strijden om voorrang. Dat je een nerveuze vlinder voelt fladderen in je buik, die er zonet nog niet was. Want hoe verwarrend dit ook allemaal is, één gedachte kristalliseert zich uit de chaos en presenteert zich glashelder aan me: het besef dat mijn leven er binnenkort heel anders uit kan zien. Dat er een vóór en na aan deze gebeurtenis zit, die bepalend kan zijn. Omdat er een vonnis geveld gaat worden.

Ik ging onbevangen naar het onderzoek toe. Het zou namelijk een een-tweetje zijn. Ik had al volop plannen voor de rest van de dag. Deze echo was een tussendoortje. Een no-brainer. En een echo maken doet geen zeer, dus onbevreesd ging ik op de onderzoekstafel liggen. Ik zou braaf stil liggen en meewerken, zij zouden even goed kijken, mij van een advies voorzien en dat was het dan. Dat was de stilzwijgende afspraak. Tenminste, van mijn kant. Ik was ook echt van plan me aan dit scenario te houden. Zij niet.

Zij improviseerden erop los. Eén radioloog. Echo. Overleg buiten de behandelkamer. Staren naar het plafond. Twee radiologen. Echo. Misschien een punctie. Een punctie?! Weer overleg. Ik staar weer naar het plafond. Ja, een punctie. Ratio overheerst, ook bij mij. Een prik, wat gerommel, het valt mee. Even later veegt ze voorzichtig de gel van me af. Ze plakt een pleister en helpt me overeind. Ik vraag uitleg. Waar denken ze aan? “Het wordt wachten op de uitslag van de punctie,” zegt ze. “Dan weten we tenminste waar we écht over praten. Meestal is het goedaardig. Maar soms ook niet. We kunnen je dat niet zeggen aan de hand van de echo. Volgende week weet je meer.” Slecht nieuws wordt altijd gedoseerd gebracht, schiet er ineens door mijn hoofd. Geen helpende gedachte.

“Tot ziens.” Ze geeft me een warme handdruk en ik sta op. Duizeligheid overvalt me. Voorzichtig loop ik de behandelkamer uit. De gang op, waar mensen me onderzoekend aankijken. Ik doe een paar stappen en zoek een stoel. Dat doe ik nog een keer na weer een metertje of tien. Jeetje, zo duizelig ben ik nog niet eerder geweest tijdens het lopen. Zou het één soms verband houden met het ander? Het kan. Denk ik tenminste. Behoedzaam loop ik het ziekenhuis uit, de zon in. Eindelijk weer frisse lucht. Ik adem diep in. Recht mijn rug en loop rustig richting betaalautomaat. Er staat een groepje mensen voor me. Even later vraagt een vrouw me vriendelijk of het andere apparaat misschien defect is omdat ik er geen gebruik van maak, terwijl het allang mijn beurt is. Ik verontschuldig me. Zat even ergens anders met mijn gedachten.

Ergens tussen hoop en vrees…

Een mannetje voor de afwerking

Binnenkort komt er een mannetje bij mijn verkering over de vloer. Niet zomaar een mannetje. Nee. Eentje die mee gaat denken. Die verstand heeft van de juiste lamp op de juiste plaats. Die wéét dat die – ogenschijnlijk nonchalant neergelegde kussens – het ‘m gaan doen op die bank. Qua sfeer en zo. Een mannetje die bedachtzaam door het huis gaat lopen, alles goed in zich opneemt en vervolgens zijn creativiteit laat stromen. Zo’n mannetje waar je het een ietsiepietsie benauwd van krijgt, omdat je op je klompen aan kunt voelen, dat er aan die stroom van creativiteit een fors prijskaartje hangt. Ik ben stikjaloers op mijn verkering.

Want ik wil ook zo’n mannetje. Voor mezelf. Voor bij mij in huis. Want bij mij gebeurt er momenteel helemaal niets. Ik heb A gezegd, maar bij B is het stil komen te liggen met de verbouwing. Niks finishing touch, niks prachtig afgewerkte details tot ver achter de komma. Het is een beetje – Ik wil wel, maar ik kan niet- huis geworden. En zo is het ook. Ik wil wel, maar ik kan het niet. Ik ben niet van het schilderen. En ook niet van het afwerken, trouwens. Ik heb ook geen visie. Ja, ik visualiseer me een slag in de rondte in het dagelijkse leven, maar dat gaat dan niet over inrichting. Wel over afwerking, maar dat is weer een ander verhaal.

Laatst zat ik te bladeren in zo’n chique woonmagazine – beetje masochistisch ben ik wel, want wat daarin staat ligt toch nooit binnen mijn mogelijkheden… Maar goed. Al bladerend viel mijn oog op een reclame voor een ‘quality painter’. Een enorm lekker ding in een witte overall mét een verfroller in zijn hand. Hij zag er enthousiast uit, woest aantrekkelijk ook en maakte met zijn vrije arm zo’n overwinnersgebaar. Je weet wel, zoiets als voetballers ook doen als ze scoren. Ik was meteen verkocht. Ik wil ook een ‘quality painter’. Voor de finishing touch. Het liefst die van de foto. Want die heeft talent, dat zag ik meteen.

Ik wil hem, liefst sámen met het mannetje van mijn verkering. Dan mogen zij mijn huis een make-over geven. Het omtoveren tot een aards paradijs. Dan kan ik naar hartenlust Eva spelen in een goed afgewerkte en verantwoord gestylde omgeving. Moet ik alleen nog even bedenken hoe ik dat allemaal ga betalen. Mijn kersverse verkering is geen optie in deze. Het is gewoon té hebberig om dat aan hem te vragen: “Hé lieverd, luister. Het is inmiddels alweer juli – yeah, time flies when you’re having fun – één keer met je ogen knipperen en Kerst staat alweer voor de deur. En over Kerst gesproken… Jij bent toch altijd zo van de cadeautjes…? Nah, dat gaat ‘m niet worden. Zelfs niet als ik hem beloof dat hij dan Adam mag spelen in mijn toekomstige paradijsje.

Ik vrees dat het voorlopig bij dromen blijft. Bij licht kwijlend meebeslissen over het interieur van mijn verkering. Afzien dus.

Nooduitgang

Laatst was ik online aan het inchecken voor mijn vlucht naar de Dominicaanse Republiek. Ik kon hierbij voorkeurstoelen aangeven. Dat deed ik ook. Voor ik op ‘verzenden’ kon klikken, moest ik eerst de voorwaarden lezen en akkoord gaan. Wat blijkt? Dikke mensen mogen geen plaatsen bij de nooduitgang reserveren. Wanneer bij het in gebruik nemen van de stoelen blijkt dat jij teveel overgewicht hebt, dan moet je verkassen. Het idee daarachter is dat dikke mensen niet snel genoeg zouden kunnen vluchten. Nou vráág ik je! Pure discriminatie! Want wie garandeert mij dat degene die nu bij de nooduitgang zit, niet te dronken is om snel te kunnen vluchten? Of volledig in paniek raakt en al hyperventilerend de uitgang blokkeert? Nee, we plaatsen onze dikke medemens ver van de nooduitgang, dan weten we zeker dat ze het niet overleven als het mis gaat!

Voor dikke mensen is vliegen op zich al een heel avontuur. Dat weet ik toevallig uit betrouwbare bron. Buiten het feit dat je shocking klem zit in die krappe stoeltjes en dat je bij het opstaan altijd even moet checken of de stoel niet aan je kont is blijven hangen, mag je blij zijn dat die gordel zelfs op jouw maat verstelbaar blijkt. De armleuning mag na het opstijgen omhoog geklapt worden, dus uitademen kan dan ook weer. En als je dan eindeloos je plas op hebt gehouden op een lange vlucht, komt het onvermijdelijke moment dat je toch echt naar het toilet moet. Je wurmt je door het smalle gangpad en loopt naar achteren. Je vraagt je in stilte af of het vliegtuig niet achterover helt nu jij plotseling je gewicht hebt verplaatst, maar je vertrouwt er maar op dat de piloot bekwaam is en dat weer kan corrigeren. En dan kan je eindelijk het toilethokje in. Dat is dan ook meteen vol. Je kunt amper adem halen, laat staan je kont keren. Als je eindelijk je broek los hebt en boven de bril hangt, raken je billen zowel links als rechts de wand van het hokje. Dat heeft één voordeel: het geeft stabiliteit tijdens het mikken en is handig bij een plotselinge luchtzak. Jij blijft tenminste waar je bent, ook zonder gordel.

Mocht je nog ambities hebben om lid te worden van de Miles High Club, dan weet je na deze toiletervaring dat je dat echt kunt vergeten. Je past nauwelijks zelf in die toilet, laat staan met z’n tweeën. Maar de Miles High Club beschikt vast over creatieve leden, dus die wijken wel uit naar andere plaatsen. Ik hoef het trouwens ook niet te weten, wat andere mensen uitspoken tijdens hun vlucht. Als ze het maar geruisloos doen en uit mijn zicht. Zelf heb ik geen ambities in de richting, dus dat is weer een zorg minder.

Het is tegenwoordig bij sommige vliegmaatschappijen al normaal dat dikke mensen voor twee stoelen moeten betalen. Het criterium is of de armleuning nog omlaag kan. Dat heeft met veiligheid te maken, zegt men. De laatste keer dat ik vloog, lukte dat nog. Godzijdank! Maar je kunt het nergens vooraf testen, volgens mij. Er staan ook geen breedtematen vermeld wanneer je een vlucht reserveert. Dus blijft het tot op de laatste minuut spannend. Maar ik heb goede hoop. Met een beetje geluk blijft de ultieme vernedering in de vorm van een stewardess die me en public laat bijbetalen of me een andere plaats toewijst, bespaart.

Ik zou het niet overleven. Nooduitgang of niet.

Mijn intieme ruimte

Geïrriteerd keek ik achterom. Recht in het opgeblazen gezicht van een veel te dikke vijfenzestigplusser. Type succesvolle zakenman. Zo’n man die gewend is dat er rekening met hem gehouden wordt. Eentje die recht op zijn doel af gaat. We hadden in dit geval echter hetzelfde doel: we wilden allebei naar binnen bij het theater. Ik liep voor hem en hij probeerde dwars door mij heen te lopen. Schurkte met zijn dikke buik opdringerig tegen mijn rug. Gatver! Had deze viezerik nog nooit gehoord van iemands intieme ruimte? Nou, ik wel! En ik wist ook heel zeker dat hij er bij mij middenin zat! Daar hoefde ik geen algebra voor te kennen. Dus schonk ik hem een dodelijke blik. Waar hij tot mijn grote teleurstelling volstrekt immuun voor bleek… Wat mij er weer aan herinnerde dat ik die vaker moet oefenen. Thuis, voor de spiegel. Het is alweer eventjes geleden en zoiets moet je regelmatig bijhouden weet ik uit ervaring, anders verwatert het en heeft het nul, komma, nakkes, nada effect.

Hoe adrem ik in het dagelijkse leven soms ook mag zijn, wanneer ik me boos maak, blokkeert er in iets in mijn hersenen. Venijnige opmerkingen blijven ergens halverwege mijn grijze massa steken. Pas lang nadat het moment voorbij is, bedenk ik me hoe ik uiterst vilein had kunnen reageren, als er niet één grote ‘error’ in mijn brein was ontstaan op het moment suprême. In mijn eigen nabeschouwing zie ik levendig voor me hoe ik iemand met één goed geformuleerde zin monddood maak. Hem met een bek vol tanden laat staan, met het schaamrood op de kaken. In mijn eigen droomscenario gaat dit moeiteloos. Kan ik gerust spreken van een uitstekende timing mijnerzijds. In mijn hoofd beheers ik deze techniek tot in de perfectie. In het echt – moet ik toegeven – valt het nogal tegen.

Eenmaal in het theater zocht ik mijn stoel op. Rij 6, stoel 3. Ik knikte vriendelijk naar de meneer op stoel 5 en nam plaats. Meneer van stoel 5 zat onderuitgezakt en wijdbeens, waarmee hij ook een deel van de ruimte voor mijn stoel innam. Daarmee dwong hij mij in een onmogelijke positie. Ook had hij de armleuning al in gebruik, wat ervoor zorgde dat ik mijn armen strak naast mijn lichaam moest houden en mijn handen nergens anders kwijt kon dan in mijn schoot. Doordat ik mijn bovenarmen tegen mijn lijf aan moest houden, werden mijn borsten opwaarts gedrukt, wat me meteen een enorme boezem opleverde. Ik schrok er zelf ook een beetje van.

Daar zat ik dan op mijn relaxte avondje uit: knietjes krampachtig bijeen, want ik wilde geen fysiek contact met mijn horkerige buurman, handen in mijn schoot en borsten opgestuwd. Ik had hem natuurlijk kunnen vragen wat in te schikken, maar dat kon ik niet. Ik blokkeerde weer. In plaats daarvan zat ik te zuchten en te draaien en spuwde ik mijn gal naar degene rechts van mij, die mij onvoorwaardelijk steunde. Echt heel adequaat kan ik het zelf ook niet noemen, maar het was niet anders. In een onbewaakt ogenblik (voor de meneer op stoel nummer 5 dan toch, want ikzelf was voortdurend gefocust op de kleinste beweging van zijn kant uit) veranderde de meneer van stoel 5 even van positie. Meteen zag ik mijn kans waar en nam ik rucksichloss de ruimte waar ik recht op had in. En meer. Als een vrouwelijke Al Bundy heb ik de voorstelling uitgezeten. In de stiekeme hoop dat hij een slaapzak zou oplopen nu hij zijn benen krampachtig bijeen moest knijpen. Há!

Snobje in een kermisauto

Mijn auto moet een grote beurt hebben. Dus bel ik de garage, want dat is het meest voor de hand liggende wat je kan doen in zo’n situatie. Ik krijg een garagemeneer aan de telefoon en zeg: ”Ik wil graag een afspraak maken, want mijn auto heeft een grote beurt nodig.” Ik zeg er altijd nadrukkelijk ‘mijn auto’ bij. Misschien ben ik de enige in heel Nederland die dat doet, maar ik wil er geen misverstanden over laten bestaan, wie of wat er een grote beurt nodig heeft. Als je zegt: “Ik wil een afspraak maken voor een grote beurt…,”klinkt dat toch een tikje dubbelzinnig in mijn oren. Alsof ik hoge nood heb en hem een oneerbaar voorstel doe.

Maar goed. Die grote beurt. Daar zie ik tegenop, alsof het een tandartsbezoek betreft. Want dit gaat net zoveel pijn doen, maar dan in mijn portometniks… Laatst draaide ik mijn raampje open en hoorde ik tot mijn grote schrik een geluidje dat nieuw voor mij was. En meestal betekent dat niet veel goeds. En toen mijn zoon een dag later naast me zat, zei hij doodleuk dat hij dacht dat ik met een lekke band rond reed omdat hij iets raars hoorde rechtsachter, kreeg ik spontaan de neiging hem uit de auto te gooien en met oorkleppen op verder te rijden. Maar ik heb me beheerst. Wel was mijn dag verpest.

Alleen al het idee dat mijn auto het ooit gaat begeven, is een groot schrikbeeld. Het uiterlijk van een auto daarentegen, doet me niet zoveel. De vorige eigenaresse heeft er zoveel deuken in gereden dat ik denk dat ze haar rijbewijs heeft gekregen door het sparen van supermarktzegeltjes. Bij drie volle kaarten een rijbewijs. Zoiets. Mijn auto zou dus echt niet misstaan als botsautootje op de kermis. Ik heb hem in die twee jaar dat ik hem nu heb zelf nog niet beschadigd, maar ieder deukje zou absoluut wegvallen in het grote geheel. De binnenkant van mijn auto ziet er trouwens ook niet uit en ook dát is haar schuld! Ik weet niet wat ze allemaal heeft uitgespookt op de bijzitterstoel, maar er zitten vlekken in de bekleding die er met geen mogelijkheid uit te krijgen zijn! Het is zelfs zo erg, dat ik me ervoor schaam (en dat wil wat zeggen!) en stoelhoezen heb gekocht. Die waren alleen verkrijgbaar in rood en zwart. Dat past absoluut niet bij de rest van het interieur, maar het was kiezen of delen. Dus nu wordt het écht een kermisauto. Maar ook dát is nog niet mijn grootste probleem. Mijn grootste probleem is veroorzaakt door vriend A.

Vriend A rijdt namelijk in een Mercedes. En sinds ik noodgedwongen een keer achter het stuur van die Mercedes heb gezeten, vind ik alle andere auto’s onveilig. Want remmen met een Mercedes is stilstaan. Remmen met mijn auto is doorschuiven, ogen dichtdoen en bidden dat je stilstaat voordat je contact maakt met je voorganger. Ik heb altijd gedacht dat mijn auto best veilig was. Maar nu weet ik beter. En dat is ballast. Ik kan dus best stellen dat vriend A mijn gemoedsrust heeft verpest. Sinds die Mercedes-ervaring voel ik me een arm snobje in een kermisauto. Een kermisauto die ook nog eens heel hard een grote beurt nodig heeft, wil hij het blijven doen. En alsof dat al niet erg genoeg is, heb ik ondertussen alsmaar nachtmerries over torenhoge garagerekeningen. Want ik moet ook nog op vakantie. En als ik dan tóch mijn geld ergens aan uit moet geven, dan liever aan een cocktail dan aan motorolie.

Dikke kuiten laarzen

Komt een vrouw bij de schoenmaker. Met laarzen waarvan de hakken zijn afgescheurd. Zomaar ineens. Rubberen hakken met zolen uit één stuk. Long story short: schoenmaker fronste zijn borstelige wenkbrauwen en zuchtte hartgrondig. “Ik weet niet of hier nog iets van te maken valt. Wat een bras! Zeker niet duur geweest?” Ik hapte naar adem, terwijl ik hem vol ongeloof aankeek. “Niet duur geweest?! Ik heb ze vorig jaar voor 169,95 euro gekocht! Bij die dure winkel hier in het dorp, je weet wel…” Nu was het zijn beurt om naar adem te happen. En ik deed gezellig mee, want ik voorzag slecht nieuws. Iets in de trant van: “U bent opgelicht mevrouw. En niet zo’n beetje ook.” En daar hou ik niet van.

Beteuterd keek ik naar beneden. Naar de laarzen die ik op dat moment droeg. Zelfde merk. Andere winkel. Eigenlijk net zo duur, alleen voordelig kunnen kopen. Mazzeltje in de uitverkoop omdat blijkbaar niemand maat 38 heeft, gecombineerd met dikke kuiten en een goede smaak. Tenminste, dat denk ik dan…Voor andere argumenten sluit ik me af. Is beter voor mijn zelfvertrouwen. Ik had gewoon een keer een enorme meevaller. Goed voor mij, want de keuze aan leuke laarzen is vrij beperkt met een portemonnee die vele malen dunner is dan de omvang van je kuiten.
Maar goed. Long story short. Toen ik dagen later weer bij de schoenmaker stond en hij me de bij elkaar gelijmde hakken liet zien – zonder enige garantie – zei ik ferm dat ik met laarzen en al verhaal zou gaan halen bij die veel te dure schoenenzaak. De schoenmaker fronste vermoeid zijn wenkbrauwen nog maar eens en humde. Ik denk dat het goedkeurend bedoeld was. Maar wie weet, zat ik er faliekant naast. Ik heb de neiging altijd van het goede van de mens uit te gaan, maar hij zag er nogal moe en verbitterd uit, dus ik weet het niet zeker… Te veel slechte schoenen en boze klanten gezien, vrees ik.

Onderweg naar die veel te dure schoenenzaak, bereidde ik me grondig voor over mijn aanpak. Die zou doortastend zijn. Ik zou me niet af laten schepen, laten overrulen of weg laten sturen zonder een bevredigende oplossing. Zo stapte ik dus binnen: de lipjes getuit en de borstjes vooruit. Zelfverzekerde blik. De eerste voltreffer was voor mij. “We hebben er anders nooit klachten over,”zei de verkoopster. “Nou, nu dus wel,” zei ik zonder met mijn ogen te knipperen, waarop ze besloot haar baas erbij te halen. Prima. Doe dat. Jouw feestje!

Baas bleek baasje te zijn, zoon had zaak overgenomen. Ik deed mijn verhaal en keek hem doordringend aan. “Het is heel simpel,” zei hij niet onder de indruk van mijn blik, “ze worden te zwaar belast en daarom gebeurt zoiets.” Juist ja. Even recapituleren. Anders gezegd ben ik dus gewoon te zwaar voor extra-dikke-kuiten-laarzen. Ik haalde diep adem en zei zo neutraal mogelijk, zonder me mee te laten voeren op de stroom van emoties die ik voelde: “Even kijken of ik het goed begrijp. Ze maken speciaal laarzen voor mensen met dikke kuiten en dat zijn – correct me if I am wrong – meestal geen mensen met een size zero – en uitgerekend die laarzen kunnen de belasting niet aan? “Juist,” zei hij. Ik had hem exact goed begrepen. Ieder woord. Even later verliet ik de winkel. Met de belofte voor nieuwe hakken en zolen, op zijn kosten, zodat mijn laarzen weer in staat zouden zijn mij de winter door te helpen.
Kwam een vrouw thuis. Die niet wist of ze nou blij of beledigd moest zijn…

Van stroomstoten en frisse regenbuien

En daar lig ik dan. Op de behandeltafel bij de fysio. In mijn slipje, op mijn zij. Zijn handen zoeken even naar de juiste plek. Plots drukt hij ergens met zijn vinger en geef ik een gil. Nou vooruit, overdrijven is ook een kunst (die ik overigens tot in de puntjes beheers), in werkelijkheid slaak ik een beschaafd klein kreetje. Van de pijn. Mijn fysiotherapeut knikt tevreden en start de behandeling. Met een pijnstillende gel en stroomstootjes. Dat klinkt erger dan het is, of mijn pijngrens ligt gewoon heel hoog, dat kan ook. Want het lukt me nog gewoon om tijdens deze behandeling een boeiende conversatie met hem te voeren. Over de leuke en minder leuke dingen des levens. Relaties, sterrestaurants, echtscheiding, psychiatrie en goede films. We vermaken ons opperbest!

Stiekem ben ik iedere keer weer een beetje teleurgesteld als mijn tijd erop zit. Want dan zijn we net goed op dreef gekomen qua gesprek en dan moeten we alweer stoppen. Ik denk trouwens dat hij het ook betreurt. Want om in een kwartier tijd zulke boeiende gesprekken te voeren, nou, dat lukt vast niet met iedereen! Ik denk dat hij het heel vaak over koetjes, kalfjes en het weer heeft met zijn doorsnee clientèle. Of gewoon niks zegt, buiten de functionele opmerkingen dan. Ik ben – denk ik – een verademing voor hem. Een frisse regenbui op een broeierig warme zomerse dag. De zaklamp in een donkere grot. Het eerste krokusje in de lente. Kortom: hij is net zo blij met mij, als ik met hem ben.

En ik ben een boeiend maar complex geval, volgens hem. Het is trouwens niet de eerste keer dat iemand dat tegen me zegt, maar dat terzijde. Mijn aspecifieke klachten dwingen hem om verder te kijken dan de routinematige één-tweetjes die hij dagelijks op de automatische piloot uitvoert. En terwijl hij wekenlang mijn linkerkant behandelt, ontwikkel ik ondertussen ook een slijmbeursontsteking rechts. Daar was in het geheel geen opzet bij, daar kon ik echt niets aan doen. Het gebeurde gewoon. Oorzaak onbekend. Dus praten we weer een half uur vol in een kwartier behandeltijd, terwijl hij me onder stroom zet. Essent is vast blij met mijn gebreken.

Uiteindelijk bereiken we een punt waarop de behandeling niets meer toevoegt. Het wordt niet beter en niet slechter, dus we houden ermee op. Natuurlijk met pijn in ons hart… Maar tot mijn grote verbazing neemt hij even later schijnbaar onaangedaan afscheid van me. Hij werpt een blik in zijn agenda, terwijl hij me ondertussen het allerbeste wenst… What the fuck?! Hij doet godverdomme net alsof het niets was: al die gesprekken, de kwetsbaarheid, de gedeelde interesses, de dvd’s die we uitwisselden, het tutoyeren van elkaar!
Plots daagt het me. Het is natuurlijk slechts een pose is van hem, een façade van onverschilligheid waarachter hij zijn bloedende hart verschuilt. Sommige mensen kunnen nou eenmaal niet goed afscheid nemen. En hij is er duidelijk één van.

Oud Viva meisje (wedstrijd van Guhl en Viva)

“Ik word een tigger,”zuchtte mijn dochter weemoedig aan de vooravond van haar twintigste verjaardag. Verbaasd keek ik haar aan. “Wat is er mis met een tigger?” “Nou, je komt er nooit meer vanaf,” sprak ze resoluut. “Twintig, dertig, zestig en ga zo maar door…” “Tenzij je honderd wordt”, grapte ik in een poging de zwaarmoedigheid te doorbreken. Dat viel niet goed.

Een twintigersdip. Nooit van gehoord. Altijd gedacht dat deze voorbehouden was aan dertigers. Ik heb dat sowieso nooit zo goed begrepen, zo’n leeftijddip. Ik vond het zelf namelijk heerlijk om dertig te zijn!
De tijd waarin ik het hele voorgekauwde patroon uit mijn jeugd, van huisje, boompje beestje, al glansrijk had doorstaan. Tot de glans er definitief vanaf was en ik manlief resoluut de deur wees. Van rammelende eierstokken was toen allang geen sprake meer, want halverwege de twintig had ik al twee kinderen op de wereld gezet. Mission completed. De wereld lag weer aan mijn voeten, net zoals tien jaar daarvoor het geval was geweest. Ik stond aan het rad van avontuur en gaf er een flinke slinger aan. Nieuwe ronde, nieuw geluk!

De mogelijkheden leken onbegrensd. Nou ja, onbegrensd? Mijn agenda bakende de mogelijkheden aardig af, gezien de noodzaak van geld verdienen en het voortdurend regelen van oppas, maar de mogelijkheden díe zich voordeden, greep ik met beide handen aan en zo vierde ik regelmatig mijn eigen feestje.

Niet meer gehinderd door onzekerheden over lijf en leden, genoot ik met volle teugen van mijn minnaar. Hem een blinddoek voorbinden, werd toen nog gedaan om de spanning te verhogen en niet uit praktische overwegingen – zoals jaren later wel het geval was – toen ik het gevecht met de zwaartekracht definitief verloren had. Ik verfde mijn haren voor de leuk, niet om mijn grijze haar te verbergen. De enige rimpeltjes die ik had waren lachrimpeltjes en die koesterde ik. Ik grossierde in zelfvertrouwen. Het overmoedige van de jeugd, bijgeschaafd door de nodige porties aan levenservaring. Dé perfecte mix om lekker te functioneren, zowel op mijn werk als thuis.

Inmiddels ben ik anderhalf keer dertig en zijn mijn kinderen ‘tiggers’. Langzaam maar zeker zie ik vrouwen om mij heen transformeren van leuke Viva-meisjes naar heuse Libelle-mutsen. Ik weiger vooralsnog. Ik blijf een Viva-meisje in hart en nieren. Een oude weliswaar, maar who cares? Leeftijd is slechts een getal.