Mijn geweten knaagt aan me als een hongerig konijn aan een wortel. Mijn schuldgevoel is groter dan de Griekse staatsschuld en mijn hersenen maken overuren. Ik voel me als een jongleur die alle bordjes in de lucht probeert te houden, maar ze toch ziet sneuvelen. Ik schiet chronisch tekort. Althans, dat vindt mijn neurotische kant. Die loopt achter de feiten aan. Als een hond die zijn eigen staart probeert te vangen, maar er nét niet bij kan.
Mijn ‘bordjes’ zijn een fulltime baan, een gezin, een latrelatie en een huishouden, met de daarbij behorende administratie, regelzaken en acute gebeurtenissen, waar ik een hekel aan heb, omdat ze altijd om voorrang vragen en tijd kosten. Mijn tijd is beperkt en mijn agenda overvol. Het gesprek bij mijn ouders met maatschappelijk werk staat zelfs met rood genoteerd, want belangrijk. Wel gepland – hoe kan het ook anders – op mijn enige vrije dag deze week. Net als het bezoek aan de tandarts trouwens.
Terwijl ik druk bezig ben om mijn huishouden op rolletjes te laten lopen – wat een verloren strijd is – miauwen de katten klagelijk omdat ze hun portie vers voer graag willen. En wel nu. Ze dwingen mij mijn turbotempo te verlagen door irritante rondjes om mijn benen te draaien. Maar die onverdeelde aandacht voor mijn persoontje, is slechts van korte duur. Zodra ze hun voer hebben, verslapt hun aandacht voor mij als een erectie bij het zien van vaginale wratten.
Via het kattenvoer beland ik bij de vaatwasser, die nog uitgeruimd moet worden. Ik bedenk me voor de zoveelste keer dat ik hoognodig moet bijkletsen met vriendinnen. Misschien moet ik maar een speeddate met ze houden. Ieder tien minuten spreektijd en weer doorschuiven naar de volgende. Dan ben ik tenminste weer bij. Ik houd een kookmarathon voor mijn ouders – hallo mantelzorg – en moet ondertussen nog bedenken wat ik zelf vanavond wil eten. Ik moet trouwens ook niet vergeten om mijn groenbak én die van mijn buurvrouw buiten te zetten, want zij ligt momenteel met haar kont in de Caribische zon.
Gelukkig laat mijn relaxte kant zich ook regelmatig zien. Die behoedt me voor een burn-out. Mijn relaxte kant heeft relativeren tot kunst verheven. Het is dát deel van mij, dat over de kruimels heenstapt, omdat ze er morgen ook nog wel liggen. Dat door de vieze ramen kijkt om te zien of het buiten echt zo grauw is of dat het toch aan het feit ligt dat de ramen al een eeuwigheid geen spons hebben gezien en glimlacht bij de conclusie. Dat deel dat een sms’je stuurt, omdat ze niet aan bellen toe komt en dat ook heel attent vindt. Het is die kant van mezelf die ik koester. Want mijn relaxte kant is gelukkiger. Die zit ’s avonds voldaan op de bank met een wijntje en wat chips en gaat tevreden naar bed.
Maar zodra mijn hoofd het kussen raakt, komt het schuldgevoel weer om de hoek kijken. Over teveel en te vet. Over het sporten waar ik maar niet aan toekom. Over de bergkast die zo’n puinhoop is, dat ik alleen nog slingerend aan de deurpost mijn spullen kan pakken. Over de kat die nog buiten is. Over… Ik lig in bed. En mijn geweten knaagt aan me, als een hongerig konijn aan een wortel.