Mijn neurotische kant en ik

Mijn geweten knaagt aan me als een hongerig konijn aan een wortel. Mijn schuldgevoel is groter dan de Griekse staatsschuld en mijn hersenen maken overuren. Ik voel me als een jongleur die alle bordjes in de lucht probeert te houden, maar ze toch ziet sneuvelen. Ik schiet chronisch tekort. Althans, dat vindt mijn neurotische kant. Die loopt achter de feiten aan. Als een hond die zijn eigen staart probeert te vangen, maar er nét niet bij kan.

Mijn ‘bordjes’ zijn een fulltime baan, een gezin, een latrelatie en een huishouden, met de daarbij behorende administratie, regelzaken en acute gebeurtenissen, waar ik een hekel aan heb, omdat ze altijd om voorrang vragen en tijd kosten. Mijn tijd is beperkt en mijn agenda overvol. Het gesprek bij mijn ouders met maatschappelijk werk staat zelfs met rood genoteerd, want belangrijk. Wel gepland – hoe kan het ook anders – op mijn enige vrije dag deze week. Net als het bezoek aan de tandarts trouwens.

Terwijl ik druk bezig ben om mijn huishouden op rolletjes te laten lopen – wat een verloren strijd is – miauwen de katten klagelijk omdat ze hun portie vers voer graag willen. En wel nu. Ze dwingen mij mijn turbotempo te verlagen door irritante rondjes om mijn benen te draaien. Maar die onverdeelde aandacht voor mijn persoontje, is slechts van korte duur. Zodra ze hun voer hebben, verslapt hun aandacht voor mij als een erectie bij het zien van vaginale wratten.

Via het kattenvoer beland ik bij de vaatwasser, die nog uitgeruimd moet worden. Ik bedenk me voor de zoveelste keer dat ik hoognodig moet bijkletsen met vriendinnen. Misschien moet ik maar een speeddate met ze houden. Ieder tien minuten spreektijd en weer doorschuiven naar de volgende. Dan ben ik tenminste weer bij. Ik houd een kookmarathon voor mijn ouders – hallo mantelzorg – en moet ondertussen nog bedenken wat ik zelf vanavond wil eten. Ik moet trouwens ook niet vergeten om mijn groenbak én die van mijn buurvrouw buiten te zetten, want zij ligt momenteel met haar kont in de Caribische zon.

Gelukkig laat mijn relaxte kant zich ook regelmatig zien. Die behoedt me voor een burn-out. Mijn relaxte kant heeft relativeren tot kunst verheven. Het is dát deel van mij, dat over de kruimels heenstapt, omdat ze er morgen ook nog wel liggen. Dat door de vieze ramen kijkt om te zien of het buiten echt zo grauw is of dat het toch aan het feit ligt dat de ramen al een eeuwigheid geen spons hebben gezien en glimlacht bij de conclusie. Dat deel dat een sms’je stuurt, omdat ze niet aan bellen toe komt en dat ook heel attent vindt. Het is die kant van mezelf die ik koester. Want mijn relaxte kant is gelukkiger. Die zit ’s avonds voldaan op de bank met een wijntje en wat chips en gaat tevreden naar bed.

Maar zodra mijn hoofd het kussen raakt, komt het schuldgevoel weer om de hoek kijken. Over teveel en te vet. Over het sporten waar ik maar niet aan toekom. Over de bergkast die zo’n puinhoop is, dat ik alleen nog slingerend aan de deurpost mijn spullen kan pakken. Over de kat die nog buiten is. Over… Ik lig in bed. En mijn geweten knaagt aan me, als een hongerig konijn aan een wortel.

Uberhippe midlife meid

Ik kan gerust stellen dat ik Uberhip ben. Ik zit aan ‘de verkeerde kant’ van de veertig en hoor er nog helemaal bij. Waar ik dan precies bij hoor, is me zelf ook niet helemaal duidelijk, waarschijnlijk zit ik ergens tussen de jeugd van tegenwoordig en omroep Max. Maar ik ben in ieder geval veel hipper ben dan de meeste van mijn midlife medemensen. Ik weet precies wat een android is, een smartphone en een app. Sterker nog: ik gebruik ze ook nog eens allemaal. Ik doe slimme boodschappen in de ‘market’ en zo kwam ik ook aan Wordfeud.

Helemaal mijn ding. Spelen met woorden, strategisch leggen en punten verzamelen. En vloeken als een havenarbeider, als het niet lukt. Er zijn mensen van wie ik bijna altijd win. Daar speel ik het liefst tegen. Er zijn ook tegenstanders die ik ervan verdenk een app te gebruiken bij het leggen van woorden. Die waren van het ene op het andere moment ineens onverslaanbaar. Zulke losers delete ik meteen. En er zijn mensen die gewoon beter zijn dan ik. En dat is pijnlijk. Als ik driemaal achter elkaar van dezelfde speler verlies, dan gaat die ook exit. Ik kan best tegen mijn verlies, maar het moet wel leuk blijven. En ineens was het dat niet meer… Na drie zeer moeizame potjes – ik kreeg alleen maar klinkers – was ik het hele Wordfeudten ineens spuugzat! Ik ben dus Wordfeudmoe. En ik heb een sabbatical ingelast om een Wordfeud burn-out te voorkomen.

Aan swypen doe ik tegenwoordig trouwens ook. Op mijn Uberhippe Samsung Galaxy S II heb ik in sneltreinvaart een minicursusje swypen gevolgd. En na enige onwennigheid – alle begin is moeilijk – ben ik er nu best bedreven in, al zeg ik het zelf. Had ik tot voor een paar maanden geleden nog nooit van het woord gehoord, nu swype ik de godganse dag. Helaas gaat er nogal eens iets mis. Daardoor lijkt het net alsof ik niet verder ben gekomen dan de derde klas lagere school. Terwijl ik best goed kan spellen. Maar zo’n smartphone (what’s in a name) denkt als het ware met je mee en daar komen de meest vreemde woorden uit voort. En juffertje ongeduld herself (moi) heeft vaak al op verzenden geduwd voordat ze gezien heeft wat er nu eigenlijk op haar scherm staat. Zo gebeurde het laatst dat ik ‘Valentijn’ sms’te, maar ik verstuurde ‘Varkenshaar.’ Dat viel niet goed bij de verkering.

En dat is helaas niet de enige keer dat zoiets is gebeurd. Want ik socialize me een slag in de rondte. Ik stuur heel veel sms-jes, reageer op al mijn facebookvrienden en sinds kort twitter ik, overigens geheel tegen mijn principes in. Maar ik móest wel overstag gaan toen de verkering voortdurend tweets citeerde en mij vertelde hoe leuk het toch was, al dat getwitter. Zoiets kan ik natuurlijk niet over mijn kant laten gaan, als Uberhippe midlife meid. Dus opende ik een twitter account:(champagne_35). Middels swypen stuur ik al mijn tweets en andere berichtjes het wereldwijde web op. Laatst vroeg ik iemand per sms om zijn emailadres. Maar van het woordje ‘emailadres’ maakte die smartphone zomaar spontaan ‘escapades’. En dan krijgt zo’n onschuldige vraag toch ineens een heel andere lading…

Om verdere missers te voorkomen, overweeg ik dus om weer gewoon terug te gaan naar het ouderwetse handwerk: het aantikken van letters. Heel retro dus.
En dat is op zich natuurlijk wel weer Uberhip.

Grenzeloos verliefd?

“Dat hij het fijn bekijkt! Denk maar niet dat ik hem ga bellen. Als hij dát denkt, dan heeft hij toch echt de verkeerde voor zich… Ik laat niet over me heen lopen. Hij moet maar normaal doen. Gewoon zéggen wat hem dwars zit. Maar nee hoor, meneer vertrekt met een boze kop. Dat kon hij misschien bij zijn ex flikken, maar niet bij mij.” Ze heeft de blosjes op haar wangen staan, tijdens het vurige betoog waarin ze me uit de doeken doet waarom haar vriendje zo plotseling vertrokken is, terwijl hij zou blijven slapen.

Vriendje is nieuw. Nou ja, bijna nieuw dan toch. Ze hebben nu zegge en schrijve vier weken iets met elkaar. En ze hebben ruzie. Nu al. Met stijgende verbazing hoor ik haar aan. En wanneer ik voorzichtig zeg dat ruzie in het stadium van verliefdheid bij mij nooit voorkwam, kijkt ze me aan alsof ik van een andere planeet kom. “Ach jij…jij bent ook zo ouderwets! Dat is tegenwoordig heel anders, mam.”

Oké. Daar heb ik zo gauw niet van terug. Want ik dacht namelijk dat verliefd zijn een universeel gevoel was. Niet aan mode of emancipatie onderhevig. Maar dat blijkt toch anders te liggen… Wég roze bril. Volgens mijn dochter van eenentwintig kun je verliefd zijn, maar tegelijkertijd je grenzen stellen. En van grenzen stellen, komt soms ruzie. Je laat je tegenwoordig niet meer de kaas van het brood eten. Ook niet in die eerste wittebroodsweken. Ik moet dit even laten bezinken… want verliefd zijn én ruzie maken, is voor mij nog steeds een contradictio in terminis.

Ik vond verliefd zijn altijd geweldig! Ik heb er dan ook veel in geoefend. Er zat maar één nadeel aan: als ik verliefd was, veranderde ik – in tegenstelling tot mijn normale ik – ter plekke in een amoebe. Een ding zonder ruggengraat. Week van verliefdheid.

Hield hij van voetbal? Dan keek ik samen met hem naar de wedstrijd en verdiepte me thuis in de term ‘buitenspel’, zodat ik ook iets slims kon roepen de volgende keer. Had klassieke muziek zijn voorkeur boven popmuziek? Dan luisterde ik geduldig mee naar Beethoven, Bach en Vivaldi, terwijl ik er bijna bij in slaap viel. Als ik bij hem logeerde, dan sliep ik met waterproof make-up op, zodat ik bij daglicht niet zo zou tegenvallen. (afgekeken uit de film). Na een korte nachtrust, glipte ik stiekem uit bed om alvast mijn tanden te poetsen, zodat ik hem mijn ochtendwasem bespaarde. En poepen? Dat deed ik al helemaal niet in zijn huis. Daar liet ik maanden overheen gaan.

Ik wilde het ideale plaatje van mezelf (leuk, lief, aardig, sexy en geweldig) het liefst zo lang mogelijk in stand houden. Want verliefd zijn is leuk, maar maakt ook onzeker. Dus keek ik wel uit met dingen zeggen of doen waarvan ik niet wist of ze goed zouden vallen. En ik had ooit ergens opgepikt dat zeurende vrouwen heel irritant zijn. Vervolgens verwarde ik zeuren met opkomen voor mezelf. Dus stelde ik geen grenzen en was rekbaar als elastiek. Terugkijkend kan ik zien dat ik natuurlijk ook een product van mijn tijd en opvoeding was. Ik had simpelweg nooit geleerd om voor mezelf op te komen. Omdat het niet nodig was in het gezin waar ik opgroeide. En emancipatie? Dat woord kwam pas net in de mode.

Maar ik ben dus ouderwets volgens mijn dochter. Toch heeft ze bepaalde dingen van mij geërfd (ze is namelijk ook leuk, lief, aardig, sexy en geweldig), maar daarnaast is ze vooral zichzelf. En durft dat ook te blijven. Verliefd of niet.

Bejaarde wegpiraten

“Krijg toch de Zuid-Aziatische teelbalcorrosie!” roep ik, terwijl ik fors op mijn rem trap. Vloekend sta ik stil. De adrenaline giert door mijn lijf. En hij kijkt niet eens om. Fietst op zijn dooie akkertje verder. Wat me dus nóg kwader maakt! Wat denkt hij nou helemaal? Dat de weg van hém alleen is? Dat er geen verkeersregels bestaan? Dat alleen je hand uitsteken voldoende is om over te kunnen steken?! Ik had gewoon moeten toeteren, zodat hij zich een rotberoerte was geschrokken. Maar ik ben weer eens te laat. Ik toeter namelijk zelden of nooit, dus voordat ik weet waar de toeter van mijn auto ook alweer zit, is hij alweer kilometers verder. Maar Godverdomme, mijn bloed kookt! Het is de zoveelste keer al dat ik dit meemaak de laatste weken. Het lijkt wel een epidemie, al die fietsende oudjes! Een pláág, beter gezegd!

Op zich heb ik niet zoveel tegen oudjes. Tja, ze zijn oud, minder mobiel en hebben de nodige gebreken, maar over het algemeen heb ik geen last van hen en zij niet van mij. Leven en laten leven zolang het nog duurt, is mijn credo. En het zou natuurlijk aan mij kunnen liggen – maar dat denk ik eerlijk gezegd van niet, want meestal liggen dingen niet aan mij maar aan de ander – maar ik erger me de laatste tijd werkelijk kapot aan hen! Vooral ‘oudjes in het verkeer’ werken op mijn gemoed als een rode lap op een stier. Ik ben ook geneigd erop af te draven en ze aan te vallen. Zó agressief word ik van ze. En dat terwijl ik in het dagelijkse leven best een verdraagzaam mens ben. Vind ik zelf.

De vooruitzichten zijn trouwens niet best. De vergrijzing neemt alleen maar toe. Misschien ligt daar de oorzaak van mijn probleem: er zijn gewoon teveel oudjes. Want ook op de snelweg zit er regelmatig zo’n krasse knar voor me. Die met ware doodsverachting 80 rijdt waar je 120 mag. Ik heb dan altijd de neiging om te gaan bumperkleven, puur om te treiteren – ik word zelf namelijk altijd heel onrustig van bumperklevers – maar het is belachelijk duur wanneer je betrapt wordt door de politie, dus dat doe ik niet. Waar ik trouwens ook pisnijdig van word, is wanneer men geen richting aangeeft en zomaar ineens aan de kant gaat staan, zónder dat ik dus vooraf gewaarschuwd ben. Alsof richtingaanwijzers een te dure optie waren bij de aanschaf.

Mijn vader is zesenzeventig en rijdt ook nog steeds auto. Laatst zat ik naast hem, terwijl hij achter het stuur zat. Nou, ik heb doodsangsten uitgestaan! Hij niet. Dat was misschien nog wel het meest enge aan de hele situatie: hij is zich niet eens bewust van zijn gevaarlijke rijgedrag. En plotseling daagde het me: als ze mijn vader zijn rijbewijs verlengen – wat dus gebeurd is tot zijn tachtigste – dan doen ze dat ook bij al die andere bejaarde wegpiraten.

Die leeftijdskeuring is wat mij betreft dus echt een wassen neus. Bloed- en urineonderzoek, evenwicht, coördinatie, zicht, gehoor en een goed gesprek met een Arbo-arts. Maar dat alles zegt natuurlijk helemaal niets over het gedrag in het verkeer. Een uitgebreide proefrit bij dag én nacht is wat mij betreft de enige juiste test. Maar geen Arbo-arts die zich daarvoor leent.
Geef ze eens ongelijk.

Me alias Florence Nightingale

De klap is enorm! Ik schat een 7,5 op de schaal van Richter. Terwijl ik snel de schade opneem – geen bloed en botjes – verbaas ik me erover dat hij nog uit één stuk bestaat. Dat er nog beweging in zit. En terwijl hij moeizaam overeind krabbelt, voorspel ik hem – als een ware Jomanda – spierpijn. Dat kan niet anders als je van een trap probeert te vliegen en vervolgens keihard op je rug landt. Zes treden lager.

Meteen na de klap, snelden er mensen toe. Als ware ramptoeristen stonden ze om hem heen. Sommigen om te helpen, de meesten puur voor de sensatie. Toen ik ze vriendelijk bedankte voor de aangeboden hulp – want dat is echt wel aardig – liep er een dame boos weg. Ze voelde zich persoonlijk afgewezen. Het moet niet gekker worden! Ik zou juist blij zijn als mijn hulp niet nodig zou zijn. Héél blij. Want ik ben niet zo’n held. Ook niet in crisissituaties. Ik kan wel goed bluffen, dat scheelt en daardoor lijkt het heel wat. Ik zet meteen mijn zelfverzekerde gezicht op, terwijl ik vanbinnen paniekerig bedenk wat ik ook alweer moet doen in zo’n situatie. Ik spreek luid en duidelijk en deel instructies uit. Ik ben erg van het delegeren.

Nou heb ik laatst in een Florence-Nightingale-mood de Help!-app geïnstalleerd op mijn telefoon. Met zo’n Help!-app kan je opgeroepen worden in noodsituaties, wanneer jij één van de tien mensen bent die het dichtst in de buurt is. De bedoeling daarvan is dat er sneller adequate hulp ter plekke is. Dat kan levens redden. Mooi initiatief, vond ik. Dus in een overmoedige bui heb ik me geregistreerd. Geheel vrijwillig. Ik vond het eigenlijk ook wel een beetje mijn plicht, als verpleegkundige en BHV-er.

Ik heb me dus opgegeven voor verslikking, vergiftiging, een hartinfarct of brand. Je had nog veel meer keuzes, maar dit vond ik wel genoeg. Een mens moet zijn beperkingen kennen. Verdrinking wil ik niet, want ik durf de drenkeling toch niet achterna te springen. Ik zou zelf verzuipen. En bij geweld wil ik ook niet ingezet worden. Met al die drugs van tegenwoordig, kan je niet meer voorspellen hoe iemand reageert. Mij niet gezien. En een ongeluk is me te gecompliceerd. Want je weet vooraf nooit hoe ernstig het is. Kijk, een klein botsinkje met een pijnlijke arm na afloop, dat red ik nog wel. Maar wanneer mensen halfdood in hun auto zitten, moeten ze mij niet hebben. Ik zou het waarschijnlijk alleen maar erger maken.

Want ik kan niet goed tegen open wonden en bloed. Daar word ik onwel van. En ik identificeer me teveel met het slachtoffer. Ik ben als de dood voor hechten. En als je veel open wonden hebt, dan kan je er dónder op zeggen dat er ergens gehecht gaat worden… En daar moet ik niet aan denken. Dus ik zou in zo’n geval alleen maar roepen dat ik zó verschrikkelijk blij ben dat ik niet in de schoenen van het slachtoffer sta. En dat is niet bepaald helpend. Ik weet het.

Eigenlijk zou ik me het liefst weer afmelden voor die Help!-app, uit pure lafheid. Want eerlijk is eerlijk: ik kan als psychiatrisch verpleegkundige vooral goed práten over al die ellende, praktisch ingrijpen is een heel ander verhaal. Dus bid ik iedere dag vurig, dat die Help!-app nooit zal afgaan. Ik zou het niet overleven.

Bungelen aan een brug

Ik heb er ook gewoon het figuur niet voor… En eerlijk gezegd ontbreekt het me ook aan lef. Ik ben niet zo’n thrillseeker. Dus mij zul geen buitenactiviteiten zien doen die mijn adrenaline nog eens extra de hoogte in stuwen. Tenminste, niet vrijwillig. Ik zou dus ook nooit gaan bungeejumpen. Ik ga liever gewoon dood.

Maar stél dat er een moment in mijn leven komt, waarin ik tóch niet helemaal toerekeningsvatbaar zou zijn – tijdens de overgang ofzo – en ik zou het overwegen om te gaan bungelen aan een brug, dan zou ik in ieder geval niet gaan bungeejumpen boven een rivier die vergeven is van de krokodillen! Ik ben wel slimmer dan dat. Ik zou gaan voor een rustig kabbelend beekje, waar het water kniehoog staat, ergens in Limburg ofzo.

Want ik gun die krokodillen hun lolletje niet. Natúúrlijk zouden ze reikhalzend naar me uitkijken. Want zo’n brok Hollands Gloren krijgen ze niet iedere dag voorgeschoteld. Ik hoor in gedachten al het klapperen van hun kaken. En terwijl ik dan zou springen – hoofd eerst, voeten vastgebonden aan zo’n elastiek – maar bidden dat die jongens die dat bungeejumpen organiseren, geen rekenfout gemaakt hebben qua lengte koord versus mijn gewicht. Dat zou immers catastrofale gevolgen hebben voor mijn persoontje.

Want ik wil ik niet zóver doorzakken dat ik bij zo’n hongerige krokodil kan zien wat hij gisteren gegeten heeft. En mijn allergrootste schrik zou natuurlijk zijn dat het elastiek knapt zodra ik er met mijn volle gewicht aanhang. Want ik ben ook nog eens een slechte zwemmer. Ik drijf wel, maar dan vooral met de stroom mee, ver weg van de plek des onheil en van mijn eventuele redders. En zo’n bungeetouw zou onderweg maar eens vast komen te zitten onder de rotsen… Ik zou niet eens genoeg adem hebben om lang onder water te duiken en mezelf te bevrijden! Het is natuurlijk sowieso al een gevecht tegen de zwaartekracht om mezelf onder water te krijgen. En als ik dan eindelijk met al mijn kracht en doorzettingsvermogen dat touw los heb gewurmd, ben ik er nóg niet. Ik moet mezelf namelijk nog op de kant zien te hijsen. En dat valt om de drommel niet mee. Ik ben dan ook altijd gewend een trapje te nemen in het zwembad. Maar dat hangt er natuurlijk niet. Dat wordt dus een ongracieus geklauter voor mij, totdat ik dan eindelijk op het droge lig. Als een gestrande walvis, die wacht op Greenpeace.

Ach, ik ben gewoon niet van het huggen met haaien, het knuffelen met krokodillen of het tongen met tarantula’s. En waarom zou ik ook? Ik heb mijn leven lief. Geef mij maar gewoon een comfortabele bank, voetenbankje en een tv. Natuurlijk wel een breedbeeld, zodat ik al die halsbrekende toeren van die thrillseekende idioten van dichtbij kan volgen. Dan voel ik hoe mijn hartslag omhoog gaat, mijn handen klam worden en mijn oksels klotsen van angstzweet. Maar ik zit veilig thuis voor de buis, eerste rang. Een spannend leven te leiden.

” “bungeekoord knapt, studente valt in rivier vol krokodillen”

Komt een vrouw bij de radioloog

En terwijl ik naar het plafond lig te kijken, bedenk ik me dat dit nou zo’n moment is… Zo’n moment waar ik mensen over heb horen vertellen. Zo’n moment waarop je even je adem inhoudt en dan voorzichtig de lucht weer laat ontsnappen, terwijl je gedachten over elkaar heen tuimelen en strijden om voorrang. Dat je een nerveuze vlinder voelt fladderen in je buik, die er zonet nog niet was. Want hoe verwarrend dit ook allemaal is, één gedachte kristalliseert zich uit de chaos en presenteert zich glashelder aan me: het besef dat mijn leven er binnenkort heel anders uit kan zien. Dat er een vóór en na aan deze gebeurtenis zit, die bepalend kan zijn. Omdat er een vonnis geveld gaat worden.

Ik ging onbevangen naar het onderzoek toe. Het zou namelijk een een-tweetje zijn. Ik had al volop plannen voor de rest van de dag. Deze echo was een tussendoortje. Een no-brainer. En een echo maken doet geen zeer, dus onbevreesd ging ik op de onderzoekstafel liggen. Ik zou braaf stil liggen en meewerken, zij zouden even goed kijken, mij van een advies voorzien en dat was het dan. Dat was de stilzwijgende afspraak. Tenminste, van mijn kant. Ik was ook echt van plan me aan dit scenario te houden. Zij niet.

Zij improviseerden erop los. Eén radioloog. Echo. Overleg buiten de behandelkamer. Staren naar het plafond. Twee radiologen. Echo. Misschien een punctie. Een punctie?! Weer overleg. Ik staar weer naar het plafond. Ja, een punctie. Ratio overheerst, ook bij mij. Een prik, wat gerommel, het valt mee. Even later veegt ze voorzichtig de gel van me af. Ze plakt een pleister en helpt me overeind. Ik vraag uitleg. Waar denken ze aan? “Het wordt wachten op de uitslag van de punctie,” zegt ze. “Dan weten we tenminste waar we écht over praten. Meestal is het goedaardig. Maar soms ook niet. We kunnen je dat niet zeggen aan de hand van de echo. Volgende week weet je meer.” Slecht nieuws wordt altijd gedoseerd gebracht, schiet er ineens door mijn hoofd. Geen helpende gedachte.

“Tot ziens.” Ze geeft me een warme handdruk en ik sta op. Duizeligheid overvalt me. Voorzichtig loop ik de behandelkamer uit. De gang op, waar mensen me onderzoekend aankijken. Ik doe een paar stappen en zoek een stoel. Dat doe ik nog een keer na weer een metertje of tien. Jeetje, zo duizelig ben ik nog niet eerder geweest tijdens het lopen. Zou het één soms verband houden met het ander? Het kan. Denk ik tenminste. Behoedzaam loop ik het ziekenhuis uit, de zon in. Eindelijk weer frisse lucht. Ik adem diep in. Recht mijn rug en loop rustig richting betaalautomaat. Er staat een groepje mensen voor me. Even later vraagt een vrouw me vriendelijk of het andere apparaat misschien defect is omdat ik er geen gebruik van maak, terwijl het allang mijn beurt is. Ik verontschuldig me. Zat even ergens anders met mijn gedachten.

Ergens tussen hoop en vrees…

Het mannetje van mijn verkering

Binnenkort komt er een mannetje bij mijn verkering over de vloer. Niet zomaar een mannetje. Nee. Eentje die mee gaat denken. Die verstand heeft van de juiste lamp op de juiste plaats. Die wéét dat die – ogenschijnlijk nonchalant neergelegde kussens – het ‘m gaan doen op die bank. Qua sfeer en zo. Een mannetje die bedachtzaam door het huis gaat lopen, alles goed in zich opneemt en vervolgens zijn creativiteit laat stromen. Zo’n mannetje waar je het een ietsiepietsie benauwd van krijgt, omdat je op je klompen aan kunt voelen, dat er aan die stroom van creativiteit een fors prijskaartje hangt. Ik ben stikjaloers op mijn verkering.

Want ik wil ook zo’n mannetje. Voor mezelf. Voor bij mij in huis. Want bij mij gebeurt er momenteel helemaal niets. Ik heb A gezegd, maar bij B is het stil komen te liggen met de verbouwing. Niks finishing touch, niks prachtig afgewerkte details tot ver achter de komma. Het is een beetje – Ik wil wel, maar ik kan niet- huis geworden. En zo is het ook. Ik wil wel, maar ik kan het niet. Ik ben niet van het schilderen. En ook niet van het afwerken, trouwens. Ik heb ook geen visie. Ja, ik visualiseer me een slag in de rondte in het dagelijkse leven, maar dat gaat dan niet over inrichting. Wel over afwerking, maar dat is weer een ander verhaal.

Laatst zat ik te bladeren in zo’n chique woonmagazine en al bladerend viel mijn oog op een reclame voor een ‘quality painter’. Een enorm lekker ding in een witte overall mét een verfroller in zijn hand. Hij zag er enthousiast uit, woest aantrekkelijk ook en maakte met zijn vrije arm zo’n overwinnersgebaar. Je weet wel, zoiets als voetballers ook doen als ze scoren. Ik was meteen verkocht. Ik wil ook een ‘quality painter’. Voor de finishing touch. Het liefst die van de foto. Want die heeft talent, dat zag ik meteen.

Ik wil hem, liefst sámen met het mannetje van mijn verkering. Dan mogen zij mijn huis een make-over geven. Het omtoveren tot een aards paradijs. Dan kan ik naar hartenlust Eva spelen in een goed afgewerkte en verantwoord gestylde omgeving. Moet ik alleen nog even bedenken hoe ik dat allemaal ga betalen. Mijn kersverse verkering is geen optie in deze. Het is gewoon té hebberig om dat aan hem te vragen: “Hé lieverd, luister. Het is inmiddels alweer juli – yeah, time flies when you’re having fun – één keer met je ogen knipperen en Kerst staat alweer voor de deur. En over Kerst gesproken… Jij bent toch altijd zo van de cadeautjes…? Nah, dat gaat ‘m niet worden. Zelfs niet als ik hem beloof dat hij dan Adam mag spelen in mijn toekomstige paradijsje.

Ik vrees dat het voorlopig bij dromen blijft. Bij licht kwijlend meebeslissen over het interieur van mijn verkering. Afzien dus.

Nooduitgang

Laatst was ik online aan het inchecken voor mijn vlucht naar de Dominicaanse Republiek. Ik kon hierbij voorkeurstoelen aangeven. Dat deed ik ook. Voor ik op ‘verzenden’ kon klikken, moest ik eerst de voorwaarden lezen en akkoord gaan. Wat blijkt? Dikke mensen mogen geen plaatsen bij de nooduitgang reserveren. Wanneer bij het in gebruik nemen van de stoelen blijkt dat jij teveel overgewicht hebt, dan moet je verkassen. Het idee daarachter is dat dikke mensen niet snel genoeg zouden kunnen vluchten. Nou vráág ik je! Pure discriminatie! Want wie garandeert mij dat degene die nu bij de nooduitgang zit, niet te dronken is om snel te kunnen vluchten? Of volledig in paniek raakt en al hyperventilerend de uitgang blokkeert? Nee, we plaatsen onze dikke medemens ver van de nooduitgang, dan weten we zeker dat ze het niet overleven als het mis gaat!

Voor dikke mensen is vliegen op zich al een heel avontuur. Dat weet ik toevallig uit betrouwbare bron. Buiten het feit dat je shocking klem zit in die krappe stoeltjes en dat je bij het opstaan altijd even moet checken of de stoel niet aan je kont is blijven hangen, mag je blij zijn dat die gordel zelfs op jouw maat verstelbaar blijkt. De armleuning mag na het opstijgen omhoog geklapt worden, dus uitademen kan dan ook weer. En als je dan eindeloos je plas op hebt gehouden op een lange vlucht, komt het onvermijdelijke moment dat je toch echt naar het toilet moet. Je wurmt je door het smalle gangpad en loopt naar achteren. Je vraagt je in stilte af of het vliegtuig niet achterover helt nu jij plotseling je gewicht hebt verplaatst, maar je vertrouwt er maar op dat de piloot bekwaam is en dat weer kan corrigeren. En dan kan je eindelijk het toilethokje in. Dat is dan ook meteen vol. Je kunt amper adem halen, laat staan je kont keren. Als je eindelijk je broek los hebt en boven de bril hangt, raken je billen zowel links als rechts de wand van het hokje. Dat heeft één voordeel: het geeft stabiliteit tijdens het mikken en is handig bij een plotselinge luchtzak. Jij blijft tenminste waar je bent, ook zonder gordel.

Mocht je nog ambities hebben om lid te worden van de Miles High Club, dan weet je na deze toiletervaring dat je dat echt kunt vergeten. Je past nauwelijks zelf in die toilet, laat staan met z’n tweeën. Maar de Miles High Club beschikt vast over creatieve leden, dus die wijken wel uit naar andere plaatsen. Ik hoef het trouwens ook niet te weten, wat andere mensen uitspoken tijdens hun vlucht. Als ze het maar geruisloos doen en uit mijn zicht. Zelf heb ik geen ambities in de richting, dus dat is weer een zorg minder.

Het is tegenwoordig bij sommige vliegmaatschappijen al normaal dat dikke mensen voor twee stoelen moeten betalen. Het criterium is of de armleuning nog omlaag kan. Dat heeft met veiligheid te maken, zegt men. De laatste keer dat ik vloog, lukte dat nog. Godzijdank! Maar je kunt het nergens vooraf testen, volgens mij. Er staan ook geen breedtematen vermeld wanneer je een vlucht reserveert. Dus blijft het tot op de laatste minuut spannend. Maar ik heb goede hoop. Met een beetje geluk blijft de ultieme vernedering in de vorm van een stewardess die me en public laat bijbetalen of me een andere plaats toewijst, bespaart.

Ik zou het niet overleven. Nooduitgang of niet.

Mijn intieme ruimte

Geïrriteerd keek ik achterom. Recht in het opgeblazen gezicht van een veel te dikke vijfenzestigplusser. Type succesvolle zakenman. Zo’n man die gewend is dat er rekening met hem gehouden wordt. Eentje die recht op zijn doel af gaat. We hadden in dit geval echter hetzelfde doel: we wilden allebei naar binnen bij het theater. Ik liep voor hem en hij probeerde dwars door mij heen te lopen. Schurkte met zijn dikke buik opdringerig tegen mijn rug. Gatver! Had deze viezerik nog nooit gehoord van iemands intieme ruimte? Nou, ik wel! En ik wist ook heel zeker dat hij er bij mij middenin zat! Daar hoefde ik geen algebra voor te kennen. Dus schonk ik hem een dodelijke blik. Waar hij tot mijn grote teleurstelling volstrekt immuun voor bleek… Wat mij er weer aan herinnerde dat ik die vaker moet oefenen. Thuis, voor de spiegel. Het is alweer eventjes geleden en zoiets moet je regelmatig bijhouden weet ik uit ervaring, anders verwatert het en heeft het nul, komma, nakkes, nada effect.

Hoe adrem ik in het dagelijkse leven soms ook mag zijn, wanneer ik me boos maak, blokkeert er in iets in mijn hersenen. Venijnige opmerkingen blijven ergens halverwege mijn grijze massa steken. Pas lang nadat het moment voorbij is, bedenk ik me hoe ik uiterst vilein had kunnen reageren, als er niet één grote ‘error’ in mijn brein was ontstaan op het moment suprême. In mijn eigen nabeschouwing zie ik levendig voor me hoe ik iemand met één goed geformuleerde zin monddood maak. Hem met een bek vol tanden laat staan, met het schaamrood op de kaken. In mijn eigen droomscenario gaat dit moeiteloos. Kan ik gerust spreken van een uitstekende timing mijnerzijds. In mijn hoofd beheers ik deze techniek tot in de perfectie. In het echt – moet ik toegeven – valt het nogal tegen.

Eenmaal in het theater zocht ik mijn stoel op. Rij 6, stoel 3. Ik knikte vriendelijk naar de meneer op stoel 5 en nam plaats. Meneer van stoel 5 zat onderuitgezakt en wijdbeens, waarmee hij ook een deel van de ruimte voor mijn stoel innam. Daarmee dwong hij mij in een onmogelijke positie. Ook had hij de armleuning al in gebruik, wat ervoor zorgde dat ik mijn armen strak naast mijn lichaam moest houden en mijn handen nergens anders kwijt kon dan in mijn schoot. Doordat ik mijn bovenarmen tegen mijn lijf aan moest houden, werden mijn borsten opwaarts gedrukt, wat me meteen een enorme boezem opleverde. Ik schrok er zelf ook een beetje van.

Daar zat ik dan op mijn relaxte avondje uit: knietjes krampachtig bijeen, want ik wilde geen fysiek contact met mijn horkerige buurman, handen in mijn schoot en borsten opgestuwd. Ik had hem natuurlijk kunnen vragen wat in te schikken, maar dat kon ik niet. Ik blokkeerde weer. In plaats daarvan zat ik te zuchten en te draaien en spuwde ik mijn gal naar degene rechts van mij, die mij onvoorwaardelijk steunde. Echt heel adequaat kan ik het zelf ook niet noemen, maar het was niet anders. In een onbewaakt ogenblik (voor de meneer op stoel nummer 5 dan toch, want ikzelf was voortdurend gefocust op de kleinste beweging van zijn kant uit) veranderde de meneer van stoel 5 even van positie. Meteen zag ik mijn kans waar en nam ik rucksichloss de ruimte waar ik recht op had in. En meer. Als een vrouwelijke Al Bundy heb ik de voorstelling uitgezeten. In de stiekeme hoop dat hij een slaapzak zou oplopen nu hij zijn benen krampachtig bijeen moest knijpen. Há!