De klap is enorm! Ik schat een 7,5 op de schaal van Richter. Terwijl ik snel de schade opneem – geen bloed en botjes – verbaas ik me erover dat hij nog uit één stuk bestaat. Dat er nog beweging in zit. En terwijl hij moeizaam overeind krabbelt, voorspel ik hem – als een ware Jomanda – spierpijn. Dat kan niet anders als je van een trap probeert te vliegen en vervolgens keihard op je rug landt. Zes treden lager.
Meteen na de klap, snelden er mensen toe. Als ware ramptoeristen stonden ze om hem heen. Sommigen om te helpen, de meesten puur voor de sensatie. Toen ik ze vriendelijk bedankte voor de aangeboden hulp – want dat is echt wel aardig – liep er een dame boos weg. Ze voelde zich persoonlijk afgewezen. Het moet niet gekker worden! Ik zou juist blij zijn als mijn hulp niet nodig zou zijn. Héél blij. Want ik ben niet zo’n held. Ook niet in crisissituaties. Ik kan wel goed bluffen, dat scheelt en daardoor lijkt het heel wat. Ik zet meteen mijn zelfverzekerde gezicht op, terwijl ik vanbinnen paniekerig bedenk wat ik ook alweer moet doen in zo’n situatie. Ik spreek luid en duidelijk en deel instructies uit. Ik ben erg van het delegeren.
Nou heb ik laatst in een Florence-Nightingale-mood de Help!-app geïnstalleerd op mijn telefoon. Met zo’n Help!-app kan je opgeroepen worden in noodsituaties, wanneer jij één van de tien mensen bent die het dichtst in de buurt is. De bedoeling daarvan is dat er sneller adequate hulp ter plekke is. Dat kan levens redden. Mooi initiatief, vond ik. Dus in een overmoedige bui heb ik me geregistreerd. Geheel vrijwillig. Ik vond het eigenlijk ook wel een beetje mijn plicht, als verpleegkundige en BHV-er.
Ik heb me dus opgegeven voor verslikking, vergiftiging, een hartinfarct of brand. Je had nog veel meer keuzes, maar dit vond ik wel genoeg. Een mens moet zijn beperkingen kennen. Verdrinking wil ik niet, want ik durf de drenkeling toch niet achterna te springen. Ik zou zelf verzuipen. En bij geweld wil ik ook niet ingezet worden. Met al die drugs van tegenwoordig, kan je niet meer voorspellen hoe iemand reageert. Mij niet gezien. En een ongeluk is me te gecompliceerd. Want je weet vooraf nooit hoe ernstig het is. Kijk, een klein botsinkje met een pijnlijke arm na afloop, dat red ik nog wel. Maar wanneer mensen halfdood in hun auto zitten, moeten ze mij niet hebben. Ik zou het waarschijnlijk alleen maar erger maken.
Want ik kan niet goed tegen open wonden en bloed. Daar word ik onwel van. En ik identificeer me teveel met het slachtoffer. Ik ben als de dood voor hechten. En als je veel open wonden hebt, dan kan je er dónder op zeggen dat er ergens gehecht gaat worden… En daar moet ik niet aan denken. Dus ik zou in zo’n geval alleen maar roepen dat ik zó verschrikkelijk blij ben dat ik niet in de schoenen van het slachtoffer sta. En dat is niet bepaald helpend. Ik weet het.
Eigenlijk zou ik me het liefst weer afmelden voor die Help!-app, uit pure lafheid. Want eerlijk is eerlijk: ik kan als psychiatrisch verpleegkundige vooral goed práten over al die ellende, praktisch ingrijpen is een heel ander verhaal. Dus bid ik iedere dag vurig, dat die Help!-app nooit zal afgaan. Ik zou het niet overleven.